Voorwoord T. Warner:

In 1956 vertrokken mijn vrouw en ik met onze twee kinderen naar Sierra Leone om daar voor ruim drie jaar als zendelingen te leven en te werken onder een inheemse stam.
Toen wij in 1959 terugkeerden naar de V.S. werd mij aangeboden om in te springen als docent zendingswetenschappen bij het Fort Wayne Bijbelinstituut, ter vervanging van een lesgever die net zijn ontslag had aangeboden. Een tussentijdse aanstelling voor één jaar mondde uit in een periode van eenentwintig jaar als hoofd van het vakgebied missiologie, en vervolgens als decaan en voorzitter. Omdat ik formeel echter nauwelijks was opgeleid in zendingswetenschappen, en ik mijn studenten minstens één stap voor wilde blijven, ben ik veel over dit onderwerp gaan lezen.
Een van de boeken die mijn aandacht trokken was het boek van de Duitse pastor Kurt Koch, Between Christ and Satan. Wat ik las sloeg in als een bom. Vanuit mijn theologische achtergrond ging ik ervan uit dat een ‘goed christen’ zich geen zorgen hoefde te maken over satan – dat hij je niet echt kon schaden. Je kon hem dus best negeren. De gedachte dat ook christenen te maken konden hebben met demonische activiteit in hun leven, kwam niet in mij op. 
Ik zocht meer literatuur over het onderwerp, maar moest toen vaststellen dat die bijna niet te vinden was. Door verdere studie kreeg ik de overtuiging dat het onverantwoord was om potentiële zendelingen niet te onderwijzen over het Bijbels wereldbeeld waarvan geestelijke strijd een onderdeel is.
Toen men hoorde dat ik onderwees over geestelijke strijd, veronderstelden sommigen dat ik daar in Afrika veelvuldig mee geconfronteerd was geweest. Maar mijn antwoord was enigszins verrassend: ‘Nee, dat was niet het geval. Niet omdat die geestelijke strijd er niet was, maar omdat daar in mijn hooggeschoolde westerse denkwijze geen plaats voor was.’ Ondanks acht jaar hoger theologisch onderwijs (B.A. van een christelijke hogeschool, MDIV van een seminarie gespecialiseerd in inductief Bijbelonderricht en een M.A. van een overheidsuniversiteit) beschouwde ik demonische activiteit en de bestrijding daarvan nog steeds als primitief bijgeloof. 

Als ik vandaag het werk van Bruno Sebrechts lees, ontmoet ik een geheel andere benadering. Hier wordt ernstig gestreefd om Bijbelse waarheden op verantwoorde wijze te verbinden met de hedendaagse praktijk. Heden bestaat er veel literatuur over dit thema, maar weinig daarvan is vergelijkbaar met de competente wijze waarop Sebrechts dit onderwerp vanuit de Schrift doorgrondt. Over de Bijbelse basis van deze bediening vind je weinig of geen vergelijkbare lectuur. 
De omvang van de hedendaagse literatuur blijkt uit de uitgebreide bibliografie achterin het boek, en zelfs die lijst kan nog worden aangevuld. De kracht van dit boek ligt in de wijze waarop de inhoud voortdurend wordt onderbouwd vanuit de Schrift. Er wordt ook een duidelijke inspanning gedaan om correct om te gaan met de oorspronkelijke talen en hun culturele context. Zijn bespreking van daimonizomai - in vele Bijbelvertalingen weergegeven als ‘bezeten zijn’ - is een van de beste die ik ben tegengekomen (zie bijlage 1). 
Dit boek beperkt zich niet tot een theologische behandeling van dit onderwerp. Het is voorzien van vele hedendaagse voorbeelden en toepassingen, afkomstig uit de persoonlijke ervaringen van de auteur. Hij streeft er tevens naar het spectrum van demonische activiteit in de westerse en niet-westerse culturen - evenals in de culturen van de Bijbelse tijd - te belichten. In de voorgestelde methodologie om tot bevrijding te komen zoekt hij naar balans, en vermijdt hij een eenzijdige uniforme aanpak. 
De kerk is de auteur erkenning verschuldigd voor zijn nauwgezette arbeid, die heeft geleid tot een betekenisvolle bijdrage aan de bronnen die beschikbaar zijn voor hen die een goed strijder en liefdevolle raadgever willen zijn in een strijd waarin wij allen - of we dat nu willen of niet - betrokken zijn. 

Dr. Timothy Warner, Emeritus hoogleraar Trinity, Deerfield, 

Inhoud

Het boek beoogt in de eerste plaats Bijbelse principes omtrent verlossing en bevrijding toe te lichten. Daarnaast worden verschillende getuigenissen aangehaald.  De belangrijkste getuigenissen betreffen mensen die de auteur persoonlijk zeer goed kent. Allen hadden ze ernstige problemen in hun dagelijks functioneren en allen ontvingen een diepgaand herstel. 

Hoofdstuk één begint met een aangrijpend getuigenis van iemand die genezing en bevrijding mocht ontvangen op vele terreinen in haar leven. Dit getuigenis werpt licht op een aantal uitgangspunten die in het boek steeds zullen terugkeren. 
In hoofdstuk twee wordt het belang van Woord en Geest benadrukt, en hebben we het over de balans tussen de werking van God en de menselijke verantwoordelijkheid. 
Hoofdstuk drie behandelt de val van de mens en Gods genadevolle reactie. Het herstel van de schepping vergt een lang proces. God kiest een volk uit en zal uiteindelijk door een vertegenwoordiger van dat volk verlossing brengen.
Hoofdstuk vier behandelt Gods antwoord aan het kruis. De opstanding van Christus vormt het begin van een nieuwe schepping, en alle hoop op bevrijding vloeit daaruit voort. Toch blijft er een geestelijke strijd woeden. Door de woorden en daden van Christus hebben we meer licht gekregen op die strijd, en kunnen we ook de oudtestamentische beschrijvingen van God als Strijder beter plaatsen.
In hoofdstuk vijf vindt u een uiteenzetting over het rijk der duisternis. Door eerst stil te staan bij de almacht, wijsheid en liefde van God, kunnen we de sinistere macht van het andere rijk in perspectief plaatsen. 
In hoofdstuk zes bestuderen we het onderwerp demonisering. In het Nieuwe Testament worden demonen dikwijls onreine geesten genoemd. We onderzoeken de oudtestamentische achtergrond van het begrip onreinheid en krijgen zo meer duidelijkheid over de oorzaken en hoedanigheden van demonisering.
Jezus’ optreden in de evangeliën tegen de duivel en zijn onreine geesten wordt beschreven in hoofdstuk zeven. 
Chronologisch belanden we in het achtste hoofdstuk bij het tijdperk van de kerk. Wat betekent de komst van de Heilige Geest? Welke principes kunnen we afleiden uit de beschrijvingen van bevrijdingen in het boek Handelingen? Welke plaats hebben de gaven van de Geest bij bevrijding? Welke plaats krijgt de geestelijke strijd? 
In hoofdstuk negen plaatsen we demonische aantasting en de weg tot bevrijding binnen het onderwijs over de oude en de nieuwe schepping. De opstanding van Christus was de triomf over de machten. Op persoonlijk vlak betekent dit dat we de oude levenssfeer moeten achterlaten om vrijheid te verwerven. 
Nadat we uitgangspunten hebben geformuleerd, zullen we in hoofdstuk tien vijf gangbare benaderingen van bevrijding doorlopen, en komen we tot een stappenplan om bevrijding binnen een verantwoord kader na te streven. 
Hoofdstuk elf behandelt drie gevalsstudies, waarbij specifieke uitdagingen worden besproken.
In het laatste hoofdstuk wijzen we op valkuilen en misleiding die een gevolg kunnen zijn van een overmoedige benadering. We sluiten af met het perspectief van volmaakte vrijheid in het toekomstige glorieuze koninkrijk van Christus. 

Zeven principes 

Door het boek heen worden zeven basisprincipes benadrukt:

1. Vertrouw nederig op God en zijn Woord. 
2. Twijfel nooit aan Gods liefde. 
3. Het kruis en vergeving vormen de basis van bevrijding.
4. Stel verlossing en geestelijke groei steeds centraal. 
5. Ruim alle restanten van een duister verleden op. 
6. Blijf in Gods rust, wetende dat God regeert. 
7. Vertrouw op het werk en de leiding van de H. Geest. 

Ten slotte nog een waarschuwing: de principes die beschreven worden kunnen verkeerd toegepast worden. Hoewel we het nut en belang van goede methodologie niet ontkennen, moeten we voor ogen houden dat methodes nooit het werk of de kracht van de Heilige Geest mogen verdringen. Kennis kan de gelovige niet in staat stellen te doen wat alleen God kan doen op zijn tijd, door zijn Geest, en op zijn unieke wijze. We blijven geheel van Hem afhankelijk. Gezegend pastoraat kan ook alleen de vrucht zijn van een integere geestelijke wandel en verantwoorde herderlijke zorg.
 
Het hoogste doel ligt trouwens niet in de vrijheid van de mens, maar in het eren van God. De juist begrepen vrijheid van de mens mag daar een welkom uitvloeisel van zijn.